17-02-16

'We zijn allemaal smeerlapjes'

Ron Rijghard - 16 februari 2016

Mich en Raf Walschaerts, samen Kommil Foo, laten in hun nieuwste cabaretvoorstelling Schoft zien dat alle mensen wolven zijn.

Aan het slot van de voorstelling Schoft van het Belgische cabaretduo Kommil Foo drukt Mich Walschaerts het hoofd van zijn broer Raf tegen zijn borst. Zonder woorden, maar de handeling drukt liefde en mededogen uit. „Kom hier schoft; dat is wat ik op dat moment eigenlijk zeg”, verklaart Raf.

In Schoft beschouwen de broers de mens in zijn goede en kwade gedaantes. Met de ambivalentie en suggestie die stilaan het handelsmerk is gaan vormen van de broers Mich (1969) en Raf (1965), die sinds 1988 samen in het theater staan. In 1992 wonnen ze als Kommil Foo het Rotterdamse festival Camaretten en in 2005 kregen ze voor Spaak de Poelifinario voor beste cabaretvoorstelling van het jaar. In Nederland hebben ze, als één van de weinige Belgische acts, een loyaal publiek opgebouwd.

Dat publiek houdt van hun mengeling van harmonieuze, intieme liedjes, ingenieuze, meerduidige verhalen – veelal over worstelingen met de liefde – en visuele slapstick. Kenmerkend zijn de verhalen met dubbele bodem, waardoor de moraal omklapt en de toeschouwer beseft dat hij zijn emoties niet blind moet vertrouwen.

De ochtend na een optreden in De Agnietenhof in Tiel, waar ze na afloop geen bloemen, maar kokers met appels krijgen, zitten de twee Walschaerts in een hotel in het Gelderse dorp Beneden-Leeuwen. Weer samen, nadat ze vorig seizoen voor het eerst solo hebben getoerd. „Solo gaan was verfrissend”, zegt Mich. „Wij zijn zo vaak samen, van ’s morgens tot ’s avonds, aan het schrijven of spelen. Dat eens met andere mensen of alleen te doen, doet wel even deugd.”

Met zijn tweeën is de dynamiek groter. Mich: „Als we samen op het podium staan, kunnen we een personage spelen, terwijl het publiek ook vasthoudt aan de twee broers eronder.” Raf: „Het publiek moet zich afvragen wie we nou eigenlijk zijn.”

Toneel en muziek vormen hun oorspronkelijke inspiratiebronnen, bij gebrek aan een cabarettraditie in België. Raf: „We hebben allebei toneel geschreven en geregisseerd. Cie De Koe, ken je dat gezelschap? Wij voelen meer verwantschap met hoe zij toneel maken dan met Nederlandse cabaretiers.”

Op jonge leeftijd bezochten ze graag Herman van Veen in de Arenberg in Antwerpen. Mich: „Wat Van Veen toen deed heeft ons zeker beïnvloed. Die platen, live uit Carré, waren fantastisch.” Raf: „Van Veen stond in ons platenrek naast Dylan en Neil Young.”

De eerste scène in Schoft is een soort anatomische les, waarbij Raf naakt op een tafel ligt en Mich hem, met witte ziekenhuishandschoenen, inspecteert. Raf: „Die scène is een goed voorbeeld van hoe wij suggestief toneel maken. En van de vraag: wie zijn die mannen? Mich bekijkt mijn voetzolen en zegt: ‘Deze soort heeft kleine minuscule wondjes, van te veel naast zijn schoenen te lopen.’ Hij kijkt naar ‘de mens’, maar is hij zelf een mens of niet? Het ligt voor de hand in hem een wetenschapper of een imaginaire godheid te zien. Maar we houden te veel van abstractie om dat concreet te maken.” 

Het naakte lichaam

Net als in vorige voorstellingen gaan beide mannen uit de kleren. Mich: „Niet omdat we dat zo graag willen. Als het nodig is en we kunnen het gebruiken, dan doen we het.” Raf: „Het naakte lichaam is een sterk beeld. Kwetsbaar.”

Als Raf voor dood naakt op tafel ligt, bedekt een handdoekje decent zijn kruis. Raf: „Bij de eerste try-outs lag ik geheel naakt op de tafel. Het was in kleine zalen, dus anderhalve meter voor de eerste rij. Dan zit het publiek tien minuten naar je fluit te kijken. Dan mist de scène zijn doel.”

Het wisselend perspectief op de mens – is hij engel of duivel – draagt de scènes. Raf: „Steeds vaker doen mensen met grote stelligheid beweringen. Dan denk ik: in mijn hoofd is het niet zo duidelijk.”

Mich: „Het lied dat we zingen over de man in het hotel met zijn vriendin laat zien hoe moeilijk het is om een standpunt te bepalen en positie te kiezen. Ze praten over wereldproblematiek tot zij hem wil verleiden en zegt: ‘Kom eens hier, ik weet een goede manier om dat op te lossen. Maar hij weert af: daar kan ik me nu niet toe zetten.” Raf: „Zij vindt: Het gaat slecht met de wereld, maar er moet toch geneukt worden. Je wilt geëngageerd zijn, maar hoe? Die scène ademt onmacht.”

Het masker van de mens

Het vertrekpunt van Schoft is de gedachte dat de mens een wolf is voor de andere mens. Terwijl het ook een wezen is dat in staat is met mededogen naar zichzelf te kijken. Dat idee diepten ze eerder uit in de voorstelling Wolf (2008). In de sleutelscène van Schoft keert die opvatting over het masker van de mens in volle hevigheid terug. Mich: „Iemand is zeer grappig en charmant, en dan tjak, blijkt hij een duivel.”

Die werking met contrasten typeert hun vertelstructuur. Mich: „Al onze hele carrière proberen we die omkering te bewerkstelligen, en het zo te doen dat het publiek van lachen naar ontroering gaat.” 

Wolf is wie we zijn, existentieel, zegt Mich, want we zijn concurrenten. „Voor het woord ethiek bestond, had de mens een knuppel.” Raf: „Als het erop aankomt, zijn we allemaal kleine smeerlapjes. Als er te veel vluchtelingen in Nederland komen, dan komen de wolven boven. Bijna altijd en bij bijna iedereen.”

Mich: „Stel: er is één mooie vrouw en je bent met drie mannen… Raf onderbreekt hem: „…en ze kiest voor mij. Dan heb jij pech jongen.” Mich: „Dan is mededogen een netelige kwestie.” Raf: „Dan ga ik niet tegen die vrouw zeggen: ga maar met hem mee. Dus denken jullie allebei: ‘Godverdomme, schoft.’ Maar ik kan niet anders dan een schoft zijn.” Tegen zijn broer: „Maar jij begrijpt mij. Je kijkt naar mij met mededogen.” Mich: „Helaas wel.”

‘Iemand is zeer grappig en charmant, en dan tjak, blijkt hij een duivel'

De dood is ook alom aanwezig in Schoft. Raf: „Onze ouders zijn 75 en zij praten heel makkelijk over hun einde. Ze zeggen: ‘Het zou mooi zijn als we nog zeven jaar samen kunnen zijn.’ Huh! Sorry? Dan schrik ik. Dan moet ik een slok van mijn glas nemen. Ik vind dat confronterend.” Mich: „Ik ben niet bang voor de dood, maar het is wel confronterend om ouder te worden. Niet alles goed meer kunnen. Dingen minder goed onthouden.” Raf: „Tss. Jij misschien.” Mich lacht. Zegt dan: „En vooral mijn broer ouder zien worden. Dat is verschrikkelijk.” Waarop Raf ook lacht. Fluistert dan: „Klootzak. Schoft.”

Thanatos en eros gaan bij Kommil Foo gelijk op. De man is bij hen bijna altijd geobsedeerd door seks. Behalve mooie liedjes over de liefde maken deze uiterlijk zo keurige heren steevast ruwe grappen over mannen die hun lul achterna lopen. Raf grinnikt wat ongemakkelijk. „Dat zijn wij.” Mich: „Dat is hoe we zijn.” Raf: „We zijn in staat tot grote tederheid, maar we zijn ook twee grote vetzakken, zoals we in Vlaanderen zeggen.” Viespeuken dus. Mich: „Zoals de meeste mannen.” Raf: „Nou, ik begin stilaan tot het besef te komen dat niet alle mannen dat hebben. En niet alle vrouwen.” Grote verbazing op het gezicht van Mich.

Als hij zich heeft herpakt: „We zijn inderdaad keurige heren, met een ethisch besef. Dat zorgt ervoor dat je niet op de eerste de beste vrouw kruipt, want je hebt een gezin thuis.” Raf: „Dat ethisch besef is er om de wolf in ons te temmen.”

Op en naast het podium plagen de mannen elkaar graag. Hoeveel verschillen ze eigenlijk?

Mich: „Hij is veel recht voor zijn raper dan ik.” Raf: „We hebben nog een zus. Ik ben de oudste, Mich is een typische middelste. Een gladde vis die overal tussen kan zwemmen.” Mich: „Conflict vermijdend, geneigd tot compromissen.” Raf: „Bij mij zit de verontwaardiging aan de oppervlakte.” Mich: „Ook het enthousiasme en de teleurstelling.” Raf: „Jij kan relativeren.” Mich: „Ik kan alles relativeren. Ironie is mijn wapen. Maar mijn broer prikt daar wel doorheen.”

Maar als dan de vraag volgt of Mich zich ergert aan iemand bij wie emoties zo plots opkomen, waarschuwt Raf zijn broer: „Pas op, hij begint gevaarlijke vragen te stellen.” Mich neutraliseert de kwestie: „Nee, want zijn temperament ken ik zo goed dat ik weet waar zijn opvliegingen vandaan komen.” Raf: „Als hij zich op de vlakte houdt, dan weet ik toch wat hij wil. Dit is een goed huwelijk. We zijn net een oud stel.”

Kommil Foo is Mich Walschaerts (46) en zijn broer Raf (50). Beiden werden geboren in het Vlaamse Essen. Raf studeerde psychologie, Mich volgde een acteeropleiding.

In 1992 won het duo het Rotterdamse cabaretfestival Cameretten. In 2005 wonnen ze met Spaak de Poelifinario voor beste cabaretvoorstelling van het jaar. Mich maakte vorig seizoen met andere muzikanten de muziekvoorstelling Duizend man sterk en Raf de solo Jongen toch.

Hun vorige voorstelling was Breken (2012), een programma over scheiden, dat werd genomineerd voor de Poelifinario.

 

Bron: NRC

Gepost door Catherine K | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.