08-05-14

Kabouters en reuzen

In een opinie-stuk in De Tijd pleit Andreas Tirez voor het afschaffen van cultuur-subsidies om de vrije markt te laten spelen. Moet een overheid kunst financieren met belastinggeld? Terechte vraag in verkiezingstijden. Politici zijn nu eenmaal de schatbewaarders van een kist geld, het is hun taak erop toe te zien dat dat slijk der aarde goed en verantwoordelijk aangewend wordt. Elke overheidssubsidie in elke sector moet in principe efficiënt, transparant en op lange termijn zinvol zijn en dus voortdurend kritisch in vraag worden gesteld. Subsidie is een tweesnijdend zwaard: financiële steun kan constructief zijn en tot verrassende resultaten leiden, maar kan ook verlammend werken, en corrumperen. Wat vanzelfsprekend evengoed geldt voor cultuur-subsidie. Daarover moet gewaakt, niet in het minst door de sector zelf.

Tijd voor een sprookje: Plop. Niets tegen kabouters, maar kom mij niet vertellen dat ze klein zijn…Reuzen zijn het, pontificale heersers, Piet Piraten op de culturele zeeën. de Plops, de K3’s, de Samsons, de Kaatjes, de Mega Mindy’s: vakkundig gemaakt entertainment op kindermaat. Bedacht en in de markt gezet door ervaren culturele ondernemers als Studio 100. Commercieel zeer succesvol. Niks mis mee, integendeel. Toch zou het doodjammer zijn als er naast deze reuzen in dwergen-vacht geen alternatief meer zou bestaan. Een kleinschaliger, minder commercieel, avontuurlijker alternatief. Het theater waarmee jeugdtheater-gezelschappen als 4Hoog, de Kopergieterij, Ultima Thule, Orka, Bronx, enz…langs culturele centra en scholen trekken. Dat soort theater produceren kan niet of nauwelijks zonder overheidssteun. Sommige producties trekken minder publiek, maar zijn artistiek zo waardevol dat ze bescherming verdienen. Kwetsbare kasplantjes zijn niet altijd opgewassen tegen het allesverslindende monster van de vrije markt.

Dit is mijn punt: Gesubsidieerd en commercieel kunnen perfect naast elkaar bestaan. Op voorwaarde dat de betreffende subsidie transparant is, goed gemotiveerd en geen valse concurrentie in het leven roept (bv. het zwaar subsidiëren van Musical van Vlaanderens Assepoester ten nadele van Studio 100 roept vragen op…).

Dus ja: de overheid heeft redenen te over om geld uit te trekken voor kunst. Enerzijds door (cultureel) ondernemerschap te stimuleren, anderzijds door subsidies toe te kennen waar nodig.

In het besef dat de waarde van kunst voor een samenleving niet te becijferen valt. Toneel, grote orkesten, opera, dans, maar ook film, letteren, musea, bibliotheken: hun waarde valt lang niet alleen in geld uit te drukken en dat maakt hen kwetsbaar in een wereld die doordrenkt is van groeimarges en winst. Daarom is de keuze voor kunst en cultuur een principiële keuze, meer dan een economische. Een keuze voor de verbeelding. Een overheid kan die weerloze verbeelding voor een groot stuk kraken of maken. Laten we voor het laatste kiezen.

 

Uit: De Morgen, 7 mei 2014

Door: Raf Walschaerts

Gepost door Catherine K | Permalink | Commentaren (0) |  Facebook |

De commentaren zijn gesloten.